Gentherapie gaat kwaliteit van leven van Duchenne-patiënten aanzienlijk verbeteren


In het LUMC is een groot onderzoek naar gentherapie voor de ziekte van Duchenne gestart. De ambitie is groot. Onderzoekers willen de therapie binnen vijf jaar testen bij patiënten. Het onderzoek is een initiatief van het Prinses Beatrix Spierfonds en wordt geleid door de uitvinder van de iTOP-technologie: stamcelbioloog prof. dr. Niels Geijsen.

Erik Niks is als (kinder)neuroloog betrokken bij het onderzoek. Hij ziet dagelijks kinderen met Duchenne in zijn spreekkamer. “Die kinderen komen op hun vierde vrolijk binnen lopen. Maar door de jaren heen zie je dat ze het steeds moeilijker krijgen. Ze krijgen moeite met opstaan, lopen, ademhalen. Ze komen in een rolstoel terecht en raken steeds meer zelfstandigheid kwijt. Het is echt een ontzettend ingrijpende spierziekte. Ik kon niets doen om de achteruitgang te stoppen. Nu hebben we iets gevonden en dat is ongelooflijk motiverend. We hopen deze jongens straks een behandeling te kunnen bieden.”

Een eenmalige behandeling met een levenslang resultaat

De ziekte van Duchenne wordt veroorzaakt door een fout in het DNA, waardoor de spieren steeds verder verzwakken met uiteindelijk de dood als gevolg. Slechts bij uitzondering worden mensen met Duchenne ouder dan veertig jaar. Met gentherapie wordt het probleem bij de bron aangepakt en het DNA gecorrigeerd. Een eenmalige behandeling met een levenslang resultaat. Hiervoor maken de onderzoekers gebruik van een veelbelovende techniek: CRISPR-Cas, een soort moleculaire schaar. Simpel gezegd gaat CRISPR-Cas de cel in en knipt op een hele precieze plek in het DNA, zodat het foute stukje wordt verwijderd. Geijsen legt uit: “Bij mensen met de ziekte van Duchenne zit een fout in het dystrofine-gen. Hierdoor wordt dit gen onleesbaar en daardoor maakt het lichaam het eiwit niet aan. Wij willen met CRISPR-Cas de fout uit het DNA knippen. De cel plakt dan zelf de overgebleven stukken DNA weer aan elkaar. Wat overblijft is een gen dat weer leesbaar is. Het maakt dan een eiwit dat kleiner is, maar wel werkt.”

Hogere kwaliteit van leven

“Je kan met onze gentherapie alleen lokaal behandelen, spier voor spier”, aldus Niks. “Het doel van ons werk is om te zorgen dat we bepaalde essentiële spieren voor deze patiënten kunnen behouden. We beginnen bij de biceps, in de bovenarm, omdat de arm voor patiënten heel belangrijk is. Op het moment dat je je armen niet meer kunt gebruiken, gaat de kwaliteit van leven rap achteruit. Je kan jezelf niet meer krabben als je jeuk hebt, je kan niet zelf eten of drinken, je kan je telefoon, je computer, je rolstoel niet meer bedienen. Het is voor de zelfstandigheid een groot ding.” Geijsen vult verder aan: ”De biceps maakt een eenvoudige beweging, waardoor de kracht vrij makkelijk te meten is. En als je bijvoorbeeld links en rechts met elkaar gaat vergelijken, waarbij je de ene arm wel en de ander niet behandelt, dan kun je de effectiviteit van de behandeling aantonen door te meten of het krachtverlies in de behandelde arm langzamer gaat of zelfs tot stilstand komt.”

Geschikte kandidaten gezocht

De onderzoekers werken nu in het laboratorium aan de technische aspecten van de nieuwe therapie. Ondertussen voeren ze een onderzoek uit naar het natuurlijk beloop van Duchenne, om te kunnen bepalen wie er straks in aanmerking komen voor de trial. En dat is niet zo eenvoudig. “Duchenne ontwikkelt zich bij iedereen net anders”, legt Niks uit. Als de onderzoekers willen aantonen dat de therapie effectief is, moeten ze aan de ene kant heel precies kunnen meten hoe spieren eruit zien en functioneren. Want alleen dan kunnen ze het verschil zien tussen de arm die ze behandelen en de arm die ze niet behandelen. Aan de andere kant moeten verschillen die je meet ook van belang zijn voor patiënt. Dat bewijs is essentieel om uiteindelijk een medicijn geregistreerd te krijgen. Hiervoor moet je dus heel goed weten wat het natuurlijk beloop van de ziekte is. Daarom zijn ze op zoek naar patiënten die mee willen doen aan een onderzoek naar de armfunctie. Het uiteindelijke doel is groter. “We beginnen in de bovenarm, maar we dromen van meer”, legt Niks uit. Geijsen vult aan: “Het uiteindelijke doel is natuurlijk om kinderen met Duchenne zo jong mogelijk te gaan behandelen. Het liefst in meerdere spiergroepen, om de kwaliteit van leven voor deze patiënten enorm te verbeteren. We hopen dat deze technologie dat mogelijk gaat maken.”