Philip Morris misleidt Tweede Kamer met brutale brief


Naar aanleiding van een motie over de toepassing van artikel 5.3 van het WHO Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging door de Tweede Kamer, die dinsdag 6 juli in stemming komt, stuurde Philip Morris een brutale brief aan Kamerleden met volstrekt onjuiste informatie. De tabaksfabrikant hoopt zo de motie tegen te houden. Rookpreventie Jeugd reageerde met een eigen brief aan de Kamer.

Phillip Morris (PM) stuurde op 1 juli een brief (bijlage) naar de Kamercommissie VWS over de inhoud en betekenis van artikel 5.3 van het WHO Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging.

PM reageerde daarmee op motie die afgelopen maandag werd ingediend door de Kamerleden Nilüfer Gündogan (VOLT) en Jeanet van der Laan (D66). Daarin verzoeken zij het Presidium van de Tweede Kamer om vast te leggen dat artikel 5.3 van het Kaderverdrag volgens de letter en de geest van de wet ook geldt voor Kamerleden. Rookpreventie Jeugd reageerde op de brief van Philip Morris met een eigen brief aan de leden van de Kamercommissie waarin wordt aangetoond dat de argumentatie van Philip Morris volstrekt misleidend is (bijlage).

Antilobby-artikel FCTC

De discussie gaat over de zogenaamde antilobbybepaling van het verdrag, dat in het Engels de Framework Convention on Tobacco Control (FCTC) heet. Artikel 5.3 schrijft voor dat de verdragstaten hun, kort gezegd, anti-tabaksbeleid moeten beschermen tegen invloeden van de kant van de tabaksindustrie. Het artikel heeft de betekenis van een contactverbod voor de overheid in relatie tot de tabaksindustrie. Het artikel maakt wel een uitzondering voor contacten die nodig kunnen zijn bij de uitvoering van al vastgesteld beleid.

Phillip Morris (PM) keert zich met zijn brief tegen de inhoud van een door VOLT en D66 ingediende motie die er – terecht – van uitgaat dat dit contactverbod ook geldt voor leden van de Tweede Kamer. PM is het met dit laatste niet eens en geeft daarvoor twee redenen:

  1. Dit zou de rechtbank Den Haag hebben uitgesproken;

  2. De Nederlandse regering zou een onjuiste uitleg aan artikel 5.3 geven.

Beide beweringen van PM zijn rechttoe-rechtaan onjuist; kennelijk probeert PM de Tweede Kamer op het verkeerde been te zetten.

Over bewering 1: dit heeft de rechtbank Den Haag in de door PM bedoelde uitspraak niet gezegd. De rechtbank oordeelde alleen maar dat artikel 5.3 ‘geen rechtstreekse werking’ heeft. Dat betekent niets anders dan dat de rechtbank artikel 5.3 niet kon toepassen omdat deze niet in Nederlandse wetgeving is omgezet.

Over bewering 2: de Nederlandse regering stelt zich, anders dan PM beweert, op het standpunt dat het FCTC-verdrag voor de Nederlandse staat verbindend is, inclusief de antilobbybepaling. Dat betekent dat alle overheidsorganen zich aan het verdrag moeten houden, geen enkel overheidsorgaan uitgezonderd, dus ook het Parlement niet. Dat is een doodsimpele regel van internationaal recht. Als uitzonderingen op die regel mogelijk zouden zijn zou een staat nooit 100% aan een verdrag gebonden zijn. Dat is natuurlijk niet houdbaar, want dat zou een complete ondermijning van de internationale rechtsorde betekenen.

Iets anders is welk staatsorgaan op de naleving van artikel 5.3 door het parlement moet toezien. Het ligt niet voor de hand een minister erop te laten toezien dat Kamerleden een verdrag naleven. Dat komt immers dichtbij het doorbreken van de scheiding der machten en dat wordt in een democratische staat – terecht – als een doodzonde gezien.

Dus als het in dit verband gaat om het controleren van Kamerleden is dat een verantwoordelijkheid van de Kamer zelf. Daarbij is de Kamer wel verplicht dat toezicht inderdaad (zelf!) te regelen.

Deze nu door PM aangezwengelde discussie steekt met regelmaat de kop op. Ten einde die situatie voor eens en voor al te beëindigen is het wenselijk artikel 5.3 wettelijk te verankeren.